native
Uiterlijk
- na·tive
| stellend | vergrotend | overtreffend |
|---|---|---|
| native | more native | most native |
native
- inheems, geboren en getogen, geboorte-
- «He visited his native land.»
- Hij bezocht zijn geboorteland.
- «He visited his native land.»
| enkelvoud | meervoud |
|---|---|
| native | natives |
native
- inheemse zn , autochtoon zn , inboorling
- «The natives were restless.»
- De inboorlingen waren onrustig.
- «The natives were restless.»
native
- vrouwelijk enkelvoud van natif
Categorieën:
- Woorden in het Engels
- Woorden in het Engels van lengte 6
- Woorden in het Engels met IPA-weergave
- Woorden in het Engels met audioweergave
- Bijvoeglijk naamwoord in het Engels
- Zelfstandig naamwoord in het Engels
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 6
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Bijvoeglijknaamwoordsvorm in het Frans