close
Naar inhoud springen

tent

Uit WikiWoordenboek
  • tent
enkelvoud meervoud
naamwoord tent tenten
verkleinwoord tentje tentjes

[A] detentv/m

  1. (kamperen) verplaatsbare constructie van over stokken of buizen gespannen doek die als (tijdelijk) onderdak dient
     Als je zelf een tent of caravan meeneemt, blijft het tarief gelijk.[5]
     Ik was blij dat we aan het afdalen waren en dat ik snel weer veilig in mijn tent in het dal kon kruipen.[6]
  2. (informeel) openbare plek (bijv. een café of restaurant) of andere openbare gelegenheid; bij uitbreiding ook een bepaalde leefruimte in het algemeen
     Te druk? De waarheid is dat ik gewoon geen geld heb om in zo'n chique tent te gaan dineren.[7]
    • Die dronken gasten kwamen hier binnen en hebben de hele tent afgebroken. 
  • De tent afbreken
Ergens alles kort en klein slaan
  • De tent sluiten
Een café, restaurant enz. sluiten
ophouden met werken
  • Ergens zijn tenten opslaan
Ergens gaan wonen
  • Iemand uit zijn tent lokken
Iemand bewust tot (nadelig) handelen verlokken, iemand provoceren

[B] detentv

  1. (medisch) voorwerp om een wond nader mee te onderzoeken, zoals een stift
  2. peilstang
100 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[8]
  1. tent op website: Etymologiebank.nl
  2. "tent" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  3. tent op website: Etymologiebank.nl
  4. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  5. Bronlink geraadpleegd op 12-7-2025 Weblink bron “Vakantie in eigen land populair, maar binnenkort veel duurder.” (12-7-2025), NOS
  6. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  7. Marion Pauw e.a.
    “4 wandelaars en een Siciliaan” (2022), The House of Books, ISBN 9789044363340
  8. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
  • tent
Naar frequentie 5480
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud tent - -
o enkelvoud tent
meervoud tente
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
tente - -

tent

  1. aangedraaid
  2. ontstoken
    «Ni av ti syklister i Danmark sykler med tent lykt i mørket.»
    Negen van tien fietsers in Denemarken fietsen met aangestoken licht in de duisternis.

tent

  1. verleden tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van tenne

tent

  1. voltooid (verleden) deelwoord bedrijvende vorm van tenne
  • tent
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud tent - -
o enkelvoud tent
meervoud tente
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
tente - -

tent

  1. aangedraaid
  2. ontstoken

tent

  1. verleden tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van tena

tent

  1. voltooid (verleden) deelwoord bedrijvende vorm van tena

tent

  1. verleden tijd aantonende wijs bedrijvende vorm van tene

tent

  1. voltooid (verleden) deelwoord bedrijvende vorm van tene